• MET IMMERZEEL OP ONDERZOEK
    Contact
  • MET IMMERZEEL OP ONDERZOEK
    Ondersteuning
  • MET IMMERZEEL OP ONDERZOEK
    Aandacht

MET IMMERZEEL OP ONDERZOEK

Bert Immerzeel was sinds jaar en dag verbonden aan zowel de Pensioen- en Uitkeringsraad als Stichting Pelita. Hij heeft zich in zijn werk over een lange periode intensief gericht op de verificatie van gebeurtenissen tijdens WO II in Nederlands-Indië en aansluitend de Bersiapperiode. Het leverde indrukwekkende historische verslagen op. Een aantal van zijn vaststellingen willen wij u niet onthouden.

‘DE GESCHIEDENIS BEHOORT AAN GOD’

“De geschiedenis behoort aan God.” Het was met deze woorden, dat in 1969, tijdens de behandeling van de Excessennota in de Tweede Kamer, ARP-lid Diepenhorst het standpunt van de confessionele partijen samenvatte. Wat geweest is, is geweest, wilde hij zeggen, en het eindoordeel is slechts aan de Heer. Hij vervolgde: “Ik ben hoe langer hoe meer de overtuiging toegedaan, dat het eigenlijke van alles wat wij doen op een rekening wordt geschreven die wij niet kunnen lezen. Het is hierdoor dat onze (eigen) rechtspraak tekortschiet.”

Minister-president De Jong liet weten dat het onderzoek naar de gebeurtenissen in de periode ’45-’49 “een confrontatie met de broosheid van de menselijke persoonlijkheid” was geweest. “Het heeft ons daardoor voorzichtiger gemaakt bij het beoordelen van anderen die niet het voorrecht hebben te leven in een door wetten en gedragsregels beschermde samenleving als de onze.”

Moties van de linkse partijen, waarin een parlementaire enquête en verder onderzoek werd gevraagd, werden afgewezen. Het boek werd gesloten.

Openheid!

Dit was in 1969. Nu, meer dan veertig jaar later, slaat de geschiedenis terug. Van allerlei kanten wordt aangedrongen op klaarheid. De media confronteerden ons de afgelopen jaren veelvuldig met allerlei Indië- en Indonesië-gerelateerde zaken: in de meeste gevallen betrof het claims van burgers en ex-militairen, maar ook een afrekening met de geschiedenis van Indië in het algemeen.

In 2011 oordeelde de Rechtbank in Den Haag dat de Nederlandse overheid smartengeld moest betalen aan weduwen van geëxecuteerde mannen uit Rawagedeh. Twee jaar later zag de overheid zich gedwongen een regeling te ontwerpen voor andere – vergelijkbare - gevallen. Eind vorig jaar viel nog een andere rechtelijke uitspraak in het voordeel uit van Indonesische burgers: de Pensioen- en Uitkeringsraad mocht geen onderscheid meer maken tussen Nederlandse en Indonesische uitkeringsgerechtigden. De overheid kreeg een dure rekening gepresenteerd.

Ronduit afwijzend was de regering op het punt van de herbeoordeling van in het verleden bestrafte Indië-weigeraars (de mannen die weigerden naar Indië te gaan) en Indië-deserteurs (zij die in Indië aangekomen weigerden bevelen op te volgen). Enkele weigeraars daagden de overheid; de Hoge Raad stelde hen in het ongelijk. De zaak van de deserteurs ligt nog ergens op een Haags bureau; het is echter onwaarschijnlijk dat ooit sprake zal zijn van gratieverlening. Een breed onderzoek naar misstanden uit deze periode, zoals voorgesteld door KITLV, NIOD en NIMH, werd afgewezen.

Van de kant van de Nederlandse slachtoffers en gedupeerden werd op de overheid druk uitgeoefend om oude dossiers te heropenen. Zo werd dit jaar een petitie ingediend voor de uitbetaling – alsnog – van ambtelijke salarissen, en aangedrongen op heropening van het onderzoek naar de dood van Molukse treinkapers. Geen van beide zaken werd opgepakt.

Het lijkt erop dat sprake is van een vast patroon. De overheid geeft er nog steeds de voorkeur aan de geschiedenis aan God te laten. In het geval van de claims van de Indonesische burgers moesten weliswaar de zeilen worden bijgesteld, echter alleen omdat de rechter daartoe opdracht had gegeven.

Excuses

Hoe paradoxaal ook, diezelfde overheid heeft er steeds minder moeite mee in Indonesië excuses aan te bieden voor alles wat koloniaal lijkt. In 2005 werd al uitgesproken dat we niet het recht hadden om het onafhankelijkheidsstreven van de Indonesiërs te blokkeren. “Nederland stond aan de verkeerde kant van de geschiedenis”, aldus minister Bot van Buitenlandse Zaken. Kort geleden bood de Nederlandse ambassadeur in Jakarta namens de Nederlandse overheid zijn excuses aan voor de excessen. En verontschuldigde Minister van Defensie Hennis zich voor het feit dat Nederland vorig jaar geen tanks aan Indonesië wilde verkopen. Méér excuses kunnen nauwelijks niet worden gemaakt...

Wat maakt nu dat de overheid zo veel moeite heeft met het openen van eigen laden, en zo weinig met excuses jegens Indonesië?  

Het antwoord lijkt te liggen in de geplande handelsmissie van Rutte naar Indonesië. Onze premier heeft weliswaar geschiedenis gestudeerd, maar doet het beter in de rol van koopman.

In 1969, tijdens het debat over de excessennota, vroeg communist Marcus Bakker al: “Vanwaar dit schijnbare berouw? Houdt het soms verband met de nieuwe opmars van Nederlands kapitaal in Indonesië? Moet er wat bloed van de stoep worden geveegd?” Misschien had hij wel gelijk, en is in de laatste vier decennia gewoon niets veranderd.